CFH-Advies
Als calciumzout bij hypocalciëmie heeft calciumcitraat, -gluconaat of -glubionaat de voorkeur. De Commissie adviseert de injecties te reserveren voor ernstige acute hypocalciëmie.
Calcium is van belang voor de botvorming en speelt een rol bij de bloedstolling, de spieractiviteit, het handhaven van de permeabiliteit van de membranen en bij de voortgeleiding van de zenuwprikkels in de neuromusculaire overgangen.
Kinetische gegevens Eliminatie: ca. 80% met de feces en 20% met de urine.
Kalkgebrek, als gevolg van stoornissen in de gastro-intestinale resorptie of in de calciumstofwisseling: tetanie, spasmofilie, rachitis, skeletontkalking. Als adjuvans bij loodintoxicatie en tetrachloorkoolstofintoxicatie.
Hypercalciëmie (bv. bij hyperparathyroïdie, vitamine D-overdosering, decalcificerende tumoren zoals plasmocytoma, botmetastasen, sarcoïdose, osteoporose door langdurige immobilisatie, melk-alkalisyndroom). Ernstige nierinsufficiëntie. Recidiverende nefrolithiase. Hypercalciurie. Galactosemie. Behandeling met digoxine of epinefrine.
Calcium passeert de placenta. Farmacologisch effect: De calciumconcentratie is in foetaal bloed hoger dan in maternaal bloed. Er moet gewaakt worden voor het optreden van hypercalciëmie bij de foetus. Advies: Alleen op strikte indicatie gebruiken. De toe te dienen dosis nauwkeurig berekenen en de calciumconcentratie regelmatig controleren.
Overgang in de moedermelk: Ja.
Misselijkheid, braken, warmtegevoel, transpiratie, symptomen van astma, hypotensie en zelfs collaps en hartritmestoornissen, vooral als de i.v. injectie te snel wordt toegediend. Na paraveneuze of oppervlakkige i.m. injectie kan lokale irritatie rond de injectieplaats ontstaan met mogelijk korstvorming, abcesvorming of necrose van de huid. Zelden lokale bindweefselcalcificaties na i.m. injectie.
Omdat de werking van digoxine en epinefrine op het hart wordt versterkt, is de combinatie met parenteraal calcium(glubionaat) gecontra-indiceerd, tenzij sprake is van acuut levensgevaar en veiliger alternatieven niet beschikbaar of mogelijk zijn. De effectiviteit van verapamil en mogelijk ook van andere calciumantagonisten kan verminderen. Thiazidediuretica, parathyroïdhormoon en vitamine D verminderen de renale uitscheiding van calcium en vergroten daarmee het risico van hypercalciëmie.
Waarschuwingen en voorzorgen
De i.v. injectie langzaam (10 ml/3 min) toedienen wegens het risico van perifere vasodilatatie en onderdrukking van de hartfunctie; tevens toedienen onder controle van het hartritme. Bij kinderen niet i.m. toepassen wegens het risico van abcesvorming. Bij volwassenen de i.m. injectie slechts in uitzonderlijke gevallen toepassen, waarbij diep in de m. gluteus moet worden geïnjecteerd. Bij hoge doses parenteraal toegediend calcium dienen de bloedspiegel en de hoeveelheid calcium in de urine altijd, en speciaal bij kinderen en bij comedicatie met vitamine D, nauwkeurig te worden gecontroleerd. De behandeling staken, indien de bloedspiegel hoger wordt dan 105 mg/l (= 2,625 mmol/l) of indien per 24 uur meer dan 5 mg/kg (= 0,125 mmol/kg) met de urine wordt uitgescheiden. De hartfunctie dient eveneens te worden bewaakt. De injectievloeistof bevat sporen aluminium (tot 0,01 mg/ml); in verband met cumulatie van aluminium herhaald gebruik bij neonaten, kinderen en patiënten met ernstige nierfunctiestoornissen vermijden. De injectie niet subcutaan toepassen.
Symptomen: Symptomen van hypercalciëmie zijn: anorexie, misselijkheid, braken, obstipatie, spierzwakte, polyurie, dorst, sufheid, verwardheid; in ernstige gevallen coma, nierfunctie- en hartritmestoornissen.
Therapie: verlaging van de calciumserumconcentratie: bij voldoende nierfunctie rehydratie gevolgd door diurese (furosemide), bij onvoldoende nierfunctie hemodialyse. Voorts eventueel natriumfosfaatoplossing toedienen (bij milde intoxicaties oraal, bij ernstiger intoxicaties i.v. infuus).
Parenteraal (langzaam injecteren, 3 min/10 ml): gemiddeld: volwassenen 10 ml i.v. of in uitzonderlijke gevallen i.m. (diep in de M.glutaeus), 1–3×/dag; kinderen 5–10 ml i.v. 1×/dag. Bij ernstige hypocalciëmie wordt, zowel bij volwassenen als bij kinderen, toediening per i.v. druppelinfuus aanbevolen, waarbij de dosering moet worden aangepast aan de bloedspiegel en de hoeveelheid calcium in de urine. De toedieningssnelheid is bij voorkeur langzaam; maximale infuussnelheid is 18 mg geïoniseerd calcium (= 450 micromol = 200 mg calciumglubionaat) per minuut. Ernstige hypocalciëmie (bv. manifeste tetanie) bij neonati en kinderen wordt meestal behandeld met i.v. infusen van 40–80 mg geïoniseerd calcium (= 1–2 mmol = ca. 4,5–9 ml van dit preparaat) per kg lichaamsgewicht per 24 uur gedurende max. 3 dagen en zo nodig gecombineerd met vitamine D.
|